Taal is niet neutraal
Een recensie van Loek Nieuwehuis
De sociaal politieke context rondom onderwijs en arbeid
Dit boek staat niet op zichzelf. Het is een expressie of representatie van de politieke discussie over de aansluiting tussen onderwijs en arbeid. Of zelfs een bouwsteen in een politiek-sociaal ontwerpproces, gericht op het flexibiliseren van de competenties van de beroepsbevolking. Om het boek op waarde te kunnen schatten, is een verkenning van die sociaal-politieke context noodzakelijk. Daarbij gaat het onder meer om de waardencreatie in het beroepsonderwijs, en daarmee het professioneel handelen van docenten, dat op het spel staat.
‘Skills’ als voertuig voor ontwerptraditie in beroepsonderwijs, LLO en HRD
Skillsgericht werken is bedoeld als een nieuwe ontwerptraditie in het beroepsonderwijs, leven lang ontwikkelen en HRD. Dit nieuwe ontwerp is geïntroduceerd door de overheid, via een samenwerking tussen de ministeries van onderwijs en sociale zaken, gestut door sociale partners. De arbeidsmarkt wordt steeds volatieler, beroepen verschijnen, verdwijnen en veranderen. Het wisselen van baan neemt toe en het op peil houden (of zelfs vergroten) van de concurrentiekracht vraagt om wendbaarheid en levenslange ontwikkeling en scholing. Skillsgericht werken raakt daarmee ook de kern van HRD.
De term skills is hiervoor het voertuig, zoals blijkt uit het European year of the skills (2023). Skills wordt, ook in het boek van Pelgrim, gepresenteerd als een neutrale term, maar dat is discutabel. De discussie hierover woedt internationaal al sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw. Payne (2017) noemt skills één van meest slippery concepten binnen de sociale wetenschappen, ingekapseld in sociale en machtsrelaties. Het kan gebruikt worden als voertuig voor emancipatie (upskilling) van werknemers, maar ook als excuus voor het voortbestaan van bad jobs (deskilling en/of taakmonotonie). Skill policies zijn nauw verbonden met de roep om flexibilisering op de arbeidsmarkt. Flexibilisering krijgt een verschillende lading, afhankelijk van machtsverhoudingen tussen sociale partners en van de inrichting van de arbeidsmarkt. Dewey (zie Nieuwenhuis & Kuijer-Siebeling, 2022) waarschuwde al in 1916 voor het beschouwen van werknemers als verlengstuk van techniek en organisatie (hij reageerde vooral op de opkomst van de monotone taken aan de lopende band van Ford) en benadrukte het belang van volwaardig vakmanschap als voorwaarde voor democratisch burgerschap.
Tussen aanpassen en ontwikkelen
Deze strijd tussen aanpassen aan de organisatie enerzijds en ontwikkeling van werknemers anderzijds is sindsdien niet meer weg te denken in de discussie over leren en ontwikkelen van vakmanschap en expertise. In de COST-action A11 (1999-2002, zie Nijhof, Heikinnen & Nieuwenhuis, 2002), waarschuwen diverse onderzoekers voor de negatieve impact van flexibilisering op sociale gelijkheid. Het concept skills speelt daarbij een belangrijke rol, aangezien dat gebruikt kan worden voor een analytische kijk op vakbekwaamheid: je kunt eenvoudig de ene skill vervangen door de andere, zonder rekening te houden met de vakvaardigheid van de werknemer. Vaardigheid als wegwerpartikel, in plaats van onderdeel van expertise. Skills zijn een vertaling van ‘taken en technieken’ die in de toolkit van een vakman of vakvrouw zitten, maar niet van ‘sferen van werk’, waarmee Gessler en Höwe (2014; zie ook Nieuwenhuis & Kuijer-Siebeling, 2022) duiden op maatschappelijke waarden die gekoppeld zijn aan beroepen. Zo leveren artsen en verpleegkundigen als maatschappelijke waarde goede gezondheidszorg; installateurs en bouwvakkers leveren een comfortabel huis; rechters en politie leveren veiligheid en orde. Sferen van werk zijn veel minder veranderlijk dan taken en technieken. Juist die maatschappelijke waarden zijn gekoppeld aan beroepstrots van werknemers en aan ambities en interesses van studenten. Een brug slaan tussen onderwijs en arbeid met behulp van de term skills gaat over taken en technieken, maar vergeet de discussie te voeren over maatschappelijke waarde en sferen van werk. Dat leidt tot Dewey’s ongemak en tot gebrekkig arbeidsmarktbeleid.
Pelgrim positioneert zijn boek niet in de discussie over de aansluiting tussen onderwijs en arbeid, maar vooral als een onderwijs-interne, technische verhandeling.
Positionering boek in sociaal-politieke en economische context
Skills is een contested en slippery begrip, waarvan het gebruik moet worden begrepen binnen een sociaal-politieke en economische context (zie ook Wheelahan, 2017). Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het boek is opgehangen aan specifiek beleid in Europa en Nederland, waarbij niet de werknemer of de student centraal staat, maar de economische vraag naar arbeid, met een focus op het niveau van taken en technieken. Dit geeft dus een eenzijdig perspectief op het fenomeen skills en op de scholingstaak van het beroepsonderwijs. In termen van Dewey: het sociaal-pedagogisch perspectief ontbreekt in het beleid. De complexiteit van de opdracht van beroepsonderwijs en HRD bestaat er juist in om een balans te vinden tussen het sociale, het professionele en het economische perspectief, in een tijd van continue verandering en ontwikkeling.
Je kunt Pelgrim niet de kwaliteit van het politiek beleid van OCW en SZW aanrekenen. Dat is de taak van ons parlement. Wat ik wél kan doen, is duiden of Pelgrim zijn publiek – de onderwijsprofessionals in het beroepsonderwijs – aanspreekt op het niveau van sferen van werk of van taken en technieken.
De positionering van het boek in de sociaal-politieke en economische context is impliciet, maar tussen de regels door wordt duidelijk dat Pelgrim zijn boek niet positioneert in de discussie over de aansluiting tussen onderwijs en arbeid en maatschappelijke waarde van het onderwijs, maar vooral als een onderwijs-interne, technische verhandeling.
Gemiste kansen en hoogtepunten
Een rode draad in het boek zijn gesprekken met personae: gefingeerde personages met wie Pelgrim telkens in gesprek gaat, om zijn verhaal van praktische waarde te laten zijn. Docenten en studenten fungeren als persona, maar geen enkele praktijkbegeleider of HR-officer. Dat is een gemiste kans. De vakexpert op de werkplek is namelijk onontbeerlijk voor skills-gericht werken in (én na) het beroepsonderwijs.
In een uitgebreid hoofdstuk beschrijft Pelgrim de geschiedenis van het beroepsonderwijs met als ‘hoogtepunt’ de inrichting van hogescholen voor het hbo en ROC’s (regionale opleidingscentra) voor het mbo. Scholen zijn weliswaar een efficiënte organisatie voor kennisoverdracht, maar hebben ook de neiging om los te groeien van de wereld van werk. Pas in het een-na-laatste hoofdstuk wordt de omgeving van het beroepsonderwijs kort beschreven. Goed beroepsonderwijs vraagt aandacht voor de verbinding tussen onderwijs en werk en voor de educatieve rol van professionals in de beroepspraktijk. Dat geldt eens te meer voor leven lang ontwikkelen en HRD.
Na het historisch overzicht behandelt Pelgrim de introductie van de term skills. We kennen in Nederland een groot aantal termen, waarmee we ongeveer hetzelfde bedoelen: vaardigheid, bekwaamheid, competentie, kwalificatie, expertise. In feite stelt hij dat de term skills niet veel toevoegt, maar dat het nu eenmaal de nieuwe term is in overheidsbeleid – de overheid is er zelf blijkbaar nog niet van overtuigd, want het skillsgericht werken wordt ingevoerd door een organisatie die zichzelf CompetentNL noemt.
Maar de politieke lading van een nieuwe term moet niet onderschat worden. Zo is de term ‘startkwalificatie’ ooit geïntroduceerd door de commissie Rauwenhoff (1986), om een nieuwe scholingsambitie voor jongeren vast te leggen; dat heeft geresulteerd in een nieuw hoofdstuk in de leerplichtwet, met nog steeds actuele impact voor laaggeschoolde jongeren én hun werkgevers. Met de term skills hoopt de overheid een soortgelijke impact te organiseren; in de introductie van deze boekbespreking heb ik daarbij gewezen op de risico’s die daarmee verbonden zijn: skills als vervangbare componenten van flexibele werknemers in plaats van sferen van werk die leidend zijn voor de beroepskeuze van veel studenten. Veel van de 49 reflectietools van Pelgrim hinten wel naar deze discussie, maar dat moet de lezer er zelf maar uithalen.
Veel aandacht voor waarderen, beoordelen en vastleggen van skills
De terminologische discussie over skills gaat bij Pelgrim over in een discussie over het waarderen en beoordelen van skills. Dat is van belang, omdat één van de beleidsinstrumenten het skills-paspoort is, waarmee de geschoolde werknemer zich kan bewegen over de arbeidsmarkt. De vraag wat je kunt vastleggen en hoe dat op een transparante wijze kan gebeuren, lijkt bepalend voor het succes van de skills-gerichte beweging, zoals de overheid die voor ogen heeft. Het skills-paspoort wordt ook voor HR een belangrijk instrument, als het aan de overheid ligt: de scholings- en competentieloopbaan van een werknemer moet daarin eenduidig en overdraagbaar gedocumenteerd worden.
Ik ben persoonlijk pessimistischer dan Pelgrim over de haalbaarheid en bruikbaarheid van een allesomvattend systeem van persoonsbeschrijving voor individuele studenten en werknemers
Pelgrim presenteert een reeks van beoordelingsinstrumenten en manieren van vastleggen van skills, variërend van persoonlijke gesprekken tot uiteindelijk certificaten en diploma’s. In de discussie rond het skills-paspoort gaat het vooral om het betrouwbaar vastleggen van aangetoonde skills. Een interessante vorm van beoordelen die Pelgrim opvoert zijn EPA’s (entrustable professional activities): vertrouwt de expert (de praktijkopleider en/of de docent) de student het toe om de betreffende handelingen in de toekomst autonoom uit te voeren. Als we skills opvatten als dergelijke complete handelingsstructuren, dan zijn we wél gericht op sferen van werk dan op afzonderlijke taken en technieken. In de gesprekken met de personae die Pelgrim door het hele boek heen hanteert om de praktische waarde van zijn betoog aan te tonen, schemert deze discussie af en toe door. In het hoofdstuk over skillstaal werkt Pelgrim dat verder uit aan de hand van internationale voorbeelden van competentieprofielen. Maar dat was ook zonder de term skills een relevant hoofdstuk geweest.
De skillsbenadering culmineert in de EUDI-wallet: een overzichtsapp waarin je identiteitsgegevens kunt opslaan en je verworven skills, persoonlijke drijfveren en loopbaanperceptie kunt vastleggen. Ofwel, het skills-paspoort als groeidocument dat studenten en werknemers zal ondersteunen bij hun ontwikkeling; hier presenteert Pelgrim zich als een technologisch optimist. Ik ben daar persoonlijk pessimistischer over, zowel als het gaat om de haalbaarheid en bruikbaarheid voor individuele studenten en werknemers, als om de wenselijkheid van een allesomvattend systeem van persoonsbeschrijving. In elk geval staat het systeem nu nog in de kinderschoenen.
En dan nu ‘Skillsgericht werken in het bedrijfsleven’?
Hoewel Pelgrim zijn boek richt op docenten in het beroepsonderwijs, biedt het ook voor HR-professionals een nuttig kijkje in de keuken van overheid en sociale partners rondom scholing en opleiding voor een beweeglijke arbeidsmarkt. Initieel beroepsonderwijs, leven lang ontwikkelen en bedrijfsgerichte scholing houden zich allen met scholing en training van de beroepsbevolking bezig. Waar het onderwijs af en toe wat meer bedrijfsgericht denken nodig heeft, kunnen HR-officers en teamleiders wel een scheutje pedagogisch denken gebruiken. Veel van de discussies en technieken rondom skills, die Pelgrim behandelt, zijn ook in een werkcontext relevant. Personae uit de praktijkcontext ontbreken echter in het boek, evenals het omdenken van de reflectietools voor de werkvloer. Dit had de inhoud toegankelijk kunnen maken voor een veel breder publiek.
Een sociaal-pedagogische kritiek op de skillsbenadering is ook in de context van arbeidsmarkt en bedrijf relevant. Hoewel de skills-benadering vooral focust op het niveau van taken en technieken, laten de gesprekken met de personae en de uitnodiging tot reflectie over de eigen werkpraktijk indirect zien dat het niveau van sferen van werk van groot belang is: de onderwijstechnologie is ‘slechts’ een voertuig om de publieke waarde die docenten geacht worden te leveren, goed beroepsonderwijs, aan de orde te stellen. Diezelfde technologie (het skills-paspoort en de EUDI-wallet) wordt ook als technologie aangeboden in het kader van bedrijfsscholing en leven lang ontwikkelen. Reflectietool 7 (welke onderwijsfilosofie hanteert u?) kan ook als oefening voor HR-beleid worden ingezet (hoe kijkt u aan tegen vakvaardigheid van uw werknemers?). De visie op skills als wegwerpartikel versus upgrading blijft relevant gedurende de gehele beroepsloopbaan.
Het boek geeft een goede aanleiding om de eigen visie op een leven lang leren te (her)overwegen.
Door het stellen van dit type vragen, positioneert Pelgrim zijn boek als een pleidooi voor een brede opvatting over skills en expertise, waarin vakkennis, vaardigheden (skills?) én beroepsethiek zijn verweven. Alle studenten in het beroepsonderwijs, van niveau 2 tot 7, verdienen zo’n complete voorbereiding op hun ‘rijbewijs’ voor de arbeidsmarkt, zodat zij zich als werknemers vanuit een brede beroepsidentiteit kunnen doorontwikkelen richting vakvolwassenheid en gezonde adaptiviteit.
Voer voor ontwikkelen eigen visie op LLO
Het boek van Wim Pelgrim is een interessante reisgids voor docenten én HR-officers voor de zoektocht naar rijke leeromgevingen in een beweeglijke, onzekere arbeidsmarkt. Het politieke landschap wordt geschetst, historisch en actueel, de verschillende etappes van de route worden praktisch beschreven, en wetende waar in de sociaal-politieke context het boek zich positioneert, biedt het boek de reiziger voldoende ruimte om eigen keuzes te maken en te overwegen. Dat laatste is wat mij betreft essentieel: geen ‘handboek soldaat’ maar een goede aanleiding om de eigen visie op een leven lang leren te (her)overwegen.
Bibliografie
Titel: Skillsgericht werken in het beroepsonderwijs
Auteur: Wim Pelgrim
Uitgeverij: Boom, 2025
ISBN: 9789024468713
Referenties
Dewey, J. (2009) Democracy and education. An introduction into the philosophy of education. Grin-Verlag (heruitgave; oorspronkelijke uitgave: 1916).
Nieuwenhuis, L.F.M. (2013) Werken aan goed beroepsonderwijs. Intrederede bij het aanvaarden van het lectoraat ‘Beroepspedagogiek’ aan de hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Nijmegen: HAN
Nieuwenhuis, L. & Kuijer-Siebelink, W. (2022). Beroepspedagogiek als maatschappelijke opdracht. In: Tijdschrift voor Hoger Onderwijs 40 (3/4), pp. 69–83.
Nijhof, W.J., Heikkinen, A. & Nieuwenhuis, L.F.M. (eds., 2002) Shaping flexibility in Vocational Education and Training. Institutional, curriculum and professional conditions for flexible VET systems. Dordrecht: Kluwer Academic Press.
Payne, J. (2017). The changing meaning of skill; still contested, still important. In: Warhurst a.o. (eds.). The Oxford handbook of skills and training. Oxford University Press, pp. 54-71.
Wheelahan, L. (2017). Rethinking skills development. Moving beyond competency-based training. In: Warhurst a.o. (eds.). The Oxford handbook of skills and training. Oxford University Press, pp. 636-651.

Een gids met praktische tools
Aan de hand van 49 tools neemt docent Nederlands, Wim Pelgrim zijn collega-docenten mee in het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van skillsgericht beroepsonderwijs in de praktijk (m.n. mbo en hbo). De meeste tools zijn doe- en denkoefeningen voor de eigen beroepspraktijk: welke taken voer je uit, welke afspraken liggen daaronder en wat kan skillstaal en -instrumentarium toevoegen aan jouw routines?