Abstract

Het gros van de arbeidstijden in Nederland kenmerkt zich nog steeds door het ‘9 tot 5’ patroon. Het is een praktijk die, qua vorm, in feite teruggaat naar het begin van de Industriële Revolutie midden 18de eeuw. Inmiddels is de samenleving ingrijpend gewijzigd. En met de huidige turbulente ontwikkelingen worden de eerste haarscheurtjes in het bolwerk van de traditionele arbeidstijden zichtbaar. Het is de hoogste tijd voor duurzame, flexibele en ‘culture proof’ arbeidstijden! Maar wie neemt het voortouw en hoe? In deze bijdrage wordt een schets gegeven van de ontwikkelingen rond arbeidstijden door de jaren heen. In het laatste deel komen daarbij de trends aan de orde die maken dat het echt anders moet. En kan, zo wordt in het laatste deel van het artikel uiteengezet.

Arbeidstijden moeten met de tijd mee

Auteur

De heer dr. ing. B. Jansen is als algemeen directeur verbonden aan de Déhora Consultancy Group.

Introductie

Een korte historische schets

De arbeidstijden die we op het moment kennen, zijn zeker niet van alle (lees: gewezen) tijden. Helaas kunnen we niet gedocumenteerd zeggen op welke wijze werktijden zich vanuit de Oudheid ontwikkeld hebben. De nodige systematische gegevens ontbreken daarvoor. Alleen al vanwege het feit dat het uurwerk in die tijd nog niet uitgevonden was, is dat niet verwonderlijk. Uit verhalen is echter wel duidelijk dat wat in het verleden gepraktiseerd werd, sterk afwijkt van de huidige situatie. Zo is bijvoorbeeld bekend dat in de samenlevingen waarin de jacht en het verzamelen dominant waren, vaak weinig uren ‘gewerkt’ werden (Cohen, 1974; https://ourworldindata.org/working-hours). Schattingen liggen in de buurt van zo’n 15 uur in de week. In agrarische samenlevingen lag dit aantal al weer hoger. Op een dag werd echter vaak niet meer dan 5 tot 6 uur gewerkt. Veelal verrichtte men arbeid voor zover dat voor het directe levensonderhoud noodzakelijk was. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat arbeidstijden in het verleden meer aan de natuur gerelateerd waren. Denk hierbij onder meer aan omstandigheden als licht en donker (Elias, 1985). Zonder het bestaan van kunstlicht verbaast dat niet. Overigens betekent dit niet dat er in de nacht niet gewerkt werd en geen vormen van onregelmatige arbeid bestonden. Hele vroege voorbeelden daarvan dateren bijvoorbeeld uit het leger (Scherrer,1981). De keuze om bijvoorbeeld in de nacht transporten te regelen werd ingegeven door de drukte overdag. Van de Middeleeuwen is bekend dat veel in kleinschalige en ambachtelijke omgevingen gewerkt werd (Schorr, 1992). Bijzonder te noemen in dit verband is dat de scheiding tussen werk en privé, die heden ten dage weer zoveel aandacht krijgt (Eurofound, 2018), toen beduidend minder dan nu bestond. Van die scheiding werd sprake bij de opkomst van de handelseconomie in de 16de en 17de eeuw. De bestendiging ervan was tegen 1750 in Engeland toen de Industriële Revolutie begon (Beckers, 1983). Het was het begin van de grootschalige fabrieksarbeid. Het was ook het moment dat meer zicht kwam op arbeidstijden. In de jaren vanaf 1800 verschenen veel geschriften over de lange arbeidsduren die volwassenen, maar ook kinderen, in de industriële omgevingen moesten maken. Al even bekend zijn de vele anekdotes over de slaventijd vanaf ca. 1500. Dagen van 12 tot 16 uur waren in de industrie en op het land niet ongebruikelijk en werkweken van 70 tot 90 uur evenmin (Giele, 1979). Het zal niet verbazen dat de socialistische beweging al snel de strijd om de verkorting van de werkweek en dus meer menswaardige arbeidsomstandigheden aanging. En met succes. Begin 1900 kwam de 8-urige werkdag en sinds de Tweede Wereldoorlog is de 40-urige werkweek – in elk geval formeel – in ieders bereik gekomen (Karsten, 1990).

Ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog

In Nederland werd in het begin van de jaren ‘60 de zaterdagarbeid voor dagdienstwerkers afgeschaft (https://www.rijnland.net). De vrije zaterdag vormt het sluitstuk van het streven van de arbeidersbeweging om tot een duidelijk afgebakende werkweek te komen, waarbij de 40-urige werkweek en de vijfdaagse werkweek horen (https://www.vakbondshistorie.nl/dossiers/de-invoering-van-de-vrije-zaterdag). Nadat de vrije zaterdag al in enkele vormen in het bedrijfsleven was opgekomen, besloot de Centrale Commissie voor Overleg in Ambtenarenzaken, dat de vrije zaterdag en de vijfdaagse werkweek voor ambtenaren ingevoerd moesten worden. Dit besluit kreeg de goedkeuring van het toenmalige kabinet-De Quay op 23 december 1960. Tot op dat moment gold de 48-urige werkweek, waarbij er op zaterdagmorgen werd gewerkt, meestal tussen 08.00 en 13.00 uur (Karsten, 1990). Zo’n 15% van de arbeidsbevolking werkte in die tijd in ploegendienst of een andere vorm van onregelmatige arbeid (Jansen, 1987). Voor een deel van deze ploegendienstmedewerkers betekende dat veelal wel werk op zaterdag. Het jaar 1982 is voor het thema arbeidstijden in Nederland van belang omdat in dat jaar het Akkoord van de Stichting van de Arbeid gesloten werd tussen werkgevers en werknemers (Dinkgreve et al.,1997; Stichting van de Arbeid, 1982). Kort gezegd hield dit akkoord in, dat in ruil voor loonmatiging werkgevers de arbeidsduur zouden verkorten. Doel was primair het herverdelen van werk omdat de werkloosheid in die tijd hoog was. Dit leidde tot succes. Inmiddels is Nederland op wereldniveau kampioen deeltijdarbeid. Bij de vrouwen werkt driekwart in deeltijd en bij mannen is dat een kwart. Een en ander resulteert in een gemiddelde arbeidsduur van 26 uur/week voor vrouwen en 36 uur/week voor mannen. Nederland scoort hiermee als een van de landen met de laagste gemiddelde arbeidsduur (Michels, 2017; https://data.oecd.org/emp/hours-worked.htm; Statline-Werkzame beroepsbevolking; arbeidsduur). Naast deeltijdarbeid zijn andere vormen van arbeid eveneens relevant voor het onderhavige thema arbeidstijden. Bijvoorbeeld uitzendarbeid. Deze werkvorm behelsde vaak arbeidstijden die niet structureel waren en in de ‘gaten’ van de reguliere arbeidstijden moesten passen. Deze uitzendarbeid kwam in de jaren zestig op (Webbink, 2017). Aanvankelijk voor ‘piek en ziek’ in de industrie; de aard van de branche is in de loop van de tijd echter sterk gewijzigd. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat de uitzenders sterk zijn geprofessionaliseerd, steeds meer toegevoegde waarde leveren aan organisaties en veel gebruikt worden als wervingskanaal (Mesters, 2012). Al met al een positief fenomeen met op dit moment een kleine 900.000 uitzendkrachten. Laatstgenoemd aantal wordt overtroffen door de zelfstandige zonder personeel (zzp’er). Daarvan kennen we er op dit moment zo’n 1,2 miljoen. En dit aantal groeit. Een van de redenen hiervoor is dat betreffende personen meer autonomie willen bij de invulling van hun arbeidstijden. Overigens blijkt ook dat niet iedere zzp-er dit uit vrijwilligheid doet (Van der Veen & Smetsers, 2015). Uitzendarbeid en de ontwikkeling van zzp’ers hangen nauw samen met de flexibiliseringstrend waar de afgelopen jaren sprake van is. Het is een thema dat in de arbeidsverhoudingen nog sterk polariserend werkt (Vrooman et al. 2018; Witteveen et al., 2004). Duidelijk is dat het aandeel flexibele contracten ten opzichte van een decennium geleden substantieel is toegenomen (Kraan & Verbiest, 2019). Dat heeft zeker te maken met de huidige kosten van vaste contracten. Maar daarnaast is de behoefte aan flexibiliteit in organisaties enorm toegenomen. Als het gaat om arbeidstijden dient ook iets meer gezegd te worden over ploegenarbeid en onregelmatige werktijden. Een belangrijke ontwikkeling heeft zich bij deze arbeidsvormen voorgedaan eind jaren ’70. Op aandrang van de vakbeweging kwam bij deze systemen de arbeidsduur onder druk te staan. Het verhoogd gezondheidsrisico dat betrokkenen lopen vormde hier de belangrijkste aanleiding (Baaijens & Jansen, 2006; Thierry & Jansen, 1996). In dezelfde periode kreeg de ergonomie van werktijden meer aandacht. De ontwikkelingen die ingezet werden leiden tot de invoering van 5-ploegendiensten, inmiddels veelal met arbeidsduren van 33,6 uur/week (Thierry et al., 1979). De groei van het werken op inconveniënte tijden was de afgelopen decennia beperkt. Er wordt heden ten dage vooral meer op avonden en in het weekend gewerkt dan voorheen. Nachtarbeid blijft op zo’n 8% van de werkende bevolking steken (Niks et al. 2018; Zwieten et al., 2011).

Verder lezen? Download hier de pdf.

Of ga naar het overzicht van alle nieuwe artikelen.